Inhoudstafel
Biografie
| Naam: James Ensor |
| Geboortedatum: 13 april 1860 te Oostende |
| Beroep: kunstschilder |
| Stijl: Impressionisme |
Zijn ouders
Zijn moeder, Maria Catharine Haegheman, was een Vlaamse, afkomstig van Oostende, die een souvenirwinkel met schelpen, speelgoed, chonoiserieën en maskers openhield. Deze maskers komen later in zijn werk terug. Zijn vader, James Frederic Ensor werd in Brussel geboren, maar in Brighton ingeschreven, als zoon van James Rainford en van Anne Andrew. Deze Britse grootouders waren renteniers uit Sussex. Toch wordt de naam van Ensor op zijn Frans uitsproken.
James Frederic Ensor, ingenieur van bruggen en wegen, vertrok kort na de geboorte van James naar de Verenigde Staten. Hij wou er carrière maken, maar de Burgeroorlog maakte een einde aan zijn ambities. Ensor had een grote bewondering voor zijn vader en zei dat het een verstandige man was, die meerdere talen sprak. Hij kon echter de mislukking niet verwerken en uit verveling, begon hij te drinken. Op financieel vlak werd hij geheel afhankelijk van zijn autoritaire en strenge vrouw en werd de schande van het gezin. Hij werd uitgelachen als Oostendse dronkelap en kwam eens thuis, half kaal geschoren met nog een halve snor. Hij stierf toen Ensor 27 jaar was, op het toppunt van zijn creatieve periode. James Ensor zal de sociale klasse, die zijn vader uitgestoten had, nooit vergeven en blijven verachten in zijn schilderijen.
School
Op 29 augustus 1861 werd de zus van Ensor, Maria Carolina Emma, geboren. James noemde haar Mitche (Mietje). Als Ensor 13 jaar was ging hij naar het Collège Notre-Dame (Onze-Lieve-Vrouwecollege) in Oostende. Hij bleek een tuchtloze leerling te zijn, maar hij toonde wel al een grote voorliefde voor tekenen en schilderen. De archieven van het Onze-Lieve-Vrouwecollege bevatten een boekje ‘Le petit sécrétaire’ met op het titelblad ‘Een ruiter te paard’, getekend door de jonge Ensor. Hij toonde zijn eerste tekeningen en schilderwerkjes, toen hij amper 14 was, aan de toen bekende meester Louis Dubois, die hem aanmoedigde. Hij bleef slechts twee jaar op deze school. Hij volgde dan schilder- en tekenlessen bij twee Oostendse aquarellisten Dubar en Van Cuyck. Ook hier toonde hij zich opstandig en had geen hoge dunk van hun schilderkunst. Hij zei zelf: “Ik werd door twee oude Oostendse schilders schoolmeesterig ingewijd in de banaliteit van hun eentonige, geborneerd en doodgeboren beroep.
In 1876 volgde hij tekenlessen naar het antiek en naar het levende model aan de Oostendse Academie voor Schone Kunsten. In die periode gingen zijn eerste schilderijtjes over de zee, strand, duin- en polderlandschappen, zoals ‘Duinen’ (rond 1876), ‘Zicht op Mariakerke’ (1876), ‘De triomfwagen’ (1877), ‘De badkoets op het strand’ (1877).
Toen hij 17 jaar was liet hij zich inschrijven aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Brussel. Het was de enige keer dat hij Oostende verliet voor een langere tijd. Hij zou drie jaar wegblijven. James huurde een kleine kamer in de St.-Janstraat, in de nabijheid van de Grote Markt. Hij maakte er kennis met o.a. Fernand Khnopff en Willy Finch en raakte bevriend met Théo Hannon. Zijn leraren gaven hem de cursussen schilderen en tekenen naar het klassieke model maar hij kreeg het weer aan de stok met hen.
In deze periode was Ensors kunst naturalistisch: hij ontleende zijn motieven aan het ouderlijke huis en aan zijn onmiddellijke omgeving; straten, strand, duinen en zee. Voorbeelden hiervan zijn ‘Golfbreker te Oostende’ (1878), ‘Polderlandschap’ (1878), ‘Grijze zee’ (1880), ‘Het moeras’ (1880), ‘Vlaanderenstraat in de sneeuw’(1881). In die periode schilderde hij ook nog: ‘Man met de gewonde arm’ (begin 1879), ‘Het meisje met de wipneus’ (1879), ‘Naakte jongen’ (1878), ‘Zelfportret’ (1879), ‘Ensor voor de schildersezel’ (1879).
De volwassen Ensor
Op twintigjarige leeftijd, in 1880, verliet hij de academie en verliet daarmee ook meteen Brussel. Het resultaat van zijn opleiding was niet zo schitterend geweest. Hij kreeg maar een zevende prijs voor het tekenen naar het klassieke model en slechts een tiende prijs voor het schilderen naar de natuur. Hij keerde naar Oostende terug, naar het ouderlijke huis op de hoek van de Vlaanderenstraat en de Van Iseghemlaan (dit huis is onlangs afgebroken). Om te ontsnappen aan zijn bazige moeder trok hij zich terug op de zolder en richtte er zijn eerste atelier in. Vanuit zijn venster had hij een uitzicht in vogelperspectief op de zee, op straten, gebouwen en voorbijgangers. Dit uitzicht zal zich dan ook weerspiegelen in vele werken. Hij bleef er wonen tot 1917 en hij maakt hier zijn beste schilderijen.
In 1880 schilderde hij ‘De lampenjongen’ in overwegend donkere kleuren, het schilderij werd gekocht door de staat in 1895 voor 2500 frank. Hij schilderde ook stillevens: ‘Stilleven met eend’ (1880), ‘De kool’(1880). In 1881 schilderde hij onder andere portretten van zijn vader, moeder en enkele vrienden. Vanaf dat jaar stelt hij zijn werk tentoon in Brussel.
Vanaf 1882-1883 kreeg hij een passie voor de maskers. Dit blijkt onder andere in werken als ‘Carnaval op het strand’ (1887), ‘James Ensor De verzoeking van de heilige Antonius’ en ‘Geërgerde maskers’.
Ensor en zijn kunstenaarsgroepen
Hij was ook één van de medestichters van ‘Les Vingts’. Dat was een kunstenaarsgroep onder leiding van Octave Maus. De leden waren revolutionaire kunstenaars die zich misprezen voelden en zo een eigen beweging oprichtten. De beweging zou uitgroeien tot een merkwaardige groep vernieuwers in de Belgische kunstwereld. Ensor exposeerde op hun eerste tentoonstelling in 1884 met zes werken. Hij kreeg nu eerder een geringschattende kritiek, met o.a. een eerste artikel in L'Art Moderne (een tijdschrift geleid door Octave Maus). Zijn inzending voor het Salon van Brussel wordt echter opnieuw geweigerd. Hij stuurde twintig werken naar het salon van Les XX van 1886, maar de kritiek besprak enkel zijn techniek en niet de kunstwaarde van zijn werken. Bij de ontbinding van Les XX in 1893 werd Ensor lid van La Libre Esthétique, de groep die Les XX zowat verving.
In 1885 doken darmklachten op. In 1885 reisde hij naar Engeland, waar hij de lichteffecten in het werk van de beroemde kunstschilder William Turner bestudeerde. Als gevolg hiervan begon Ensor op impressionistische wijze te schilderen. Deze techniek gebruikte hij onder andere voor zijn belangrijkste schilderij ‘James Ensor De intocht van Christus in Brussel’.
Zijn angsten en hallucinaties werden niet begrepen bij Les XX. Men sprak over een voortbrengsel van een ziek brein. Emile Verhaeren echter bespeurde in die werken de invloed van Rembrandt.
Een wenteling qua stijl
Tot 1886 schilderde Ensor voornamelijk portretten en interieurs met donkere kleuren.Vanaf dat jaar nam hij afstand van zijn sombere ‘interieurs’. Hij maakte een overgang naar een schilderwijze met krachtige en heldere kleuren. Hij maakte zijn eerste etsen, o.a. ‘Zelfportret pas fini’ (1885) en het meesterwerk ‘De kathedraal’ (1886), waarmee hij even beroemd werd. Met "Christus bedaart de storm" (1891) schoot hij roos in het modernisme.
In 1888 schilderde hij zijn belangrijkste schilderij ‘James Ensor De intocht van Christus in Brussel’. Op achtentwintigjarige leeftijd leerde hij Augusta Boogaerts kennen, die slechts achttien jaar oud was. Ze blijft een vriendin en vertrouwelinge tot aan zijn dood toch zijn ze nooit getrouwd. Ensor wil er de brui aan geven en wil al zijn werken verkopen voor 8000 Belgische frank, maar vindt geen koper. In zijn tegenspoed, miskend en bekritiseerd door zijn tijdgenoten, doet hij dan maar verder, maar juist hierdoor groeit nog zijn scheppende kracht. In 1892 trouwt zijn zus met een Chinese handelaar. Hun huwelijksbootje loopt echter al snel op de klippen. ‘Mitche’ verwachtte een kind van hem, een meisje dat het lieve zorgennichtje Alex werd en dat Ensor “La Chinoise” noemde. Zij zou later trouwen op 15-jarige leeftijd.
Ensor werd meer en meer aanvaard door kunstkenners. In 1893 kocht het Brussels Prentenkabinet een groot aantal van zijn gravures (hij had er 44 gemaakt in 1888).
In 1894 werd Ensor uitgenodigd tot de eerste expositie van “La Libre Esthétique” en zelf richtte hij, samen met Guillaume Vogels, in zijn stad de “Cercle des Beaux Arts d'Ostende” op. Nog hetzelfde jaar verkocht hij 25 gravures aan het Prentenkabinet van Dresden. In december van dat jaar en aangezet door Eugène Demolder, organiseerde hij zijn eerste eigen tentoonstelling in de Comptoir des Arts Industriels La Royale te Brussel. Dit initiatief wekte de belangstelling van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten met als gevolg dat de Staat als eerste werk van Ensor ‘De Lampenist’ koopt, voor 2500 Belgische frank.
Familiale problemen
In 1897 werd de sfeer ten huize van familie Ensor ernstig verstoord door vele ruzies. In 1898 nam hij deel aan het Salon des Cents te Parijs met 25 werken, maar het verwachte succes blijft uit. Toch verschijnt in 1899 een speciaal nummer van "La plume", gewijd aan de werken van Ensor op deze tentoonstelling. Hetzelfde jaar koopt de Albertina in Wenen honderd gravures van Ensor.
In dit jaar schilderde hij ook het welbekende ’Zelfportret omringd door maskers’ waarin hij zichzelf voorstelt temidden van zijn kunst, een masker tussen de maskers.
In 1903 werd Ensor tot ridder in de Leopoldsorde. Een jaar later ontmoette hij Emma Lambotte. Zij kocht een groot aantal werken van hem en ze bemoeide zich met de verspreiding van zijn kunst. In 1911 maakte hij nog een pantomime-ballet. Wanneer de oorlog uitbrak, bleef Ensor in Oostende, ondanks de raad van zijn vrienden.
De moeder van Ensor stierf in 1914 op tachtigjarige leeftijd. Haar zus, zijn tante Mimi, overleed twee jaar later. Daarmee nam hij afscheid van de twee vrouwen die destijds bij zijn opvoeding een bijzonder bepalende rol speelden.
In 1917 verhuisde hij naar de Vlaanderenstraat 27. Hij had het huis geërfd. Hij behield de winkel van souvenirs maar hij deed er niet veel mee. Dit huis is nu bekend als het ‘Ensormuseum’.
Eindelijk erkend
Gedurende de jaren ’20 werd hij populair in Oostende. Zijn schilderijen hadden succes en hij werd rijk. Er volgden nog tentoonstellingen. Hij vocht ook voor het behoud van de duinen in Oostende en in 1929 werd hij tot baron verheven.
Op 13 april 1930 mocht hij zijn eigen standbeeld onthullen in de voortuinen tegenover het Oostendse Kursaal. In 1933 ontving hij het lint van Groot-officier van het Légion d’honneur.
In de nacht van 27 op 28 mei werden een verzameling van 118 gravures, 3 schilderijen en enkele tekeningen vernield bij een bombardement op Oostende. De kunstwerken waren eigendom van het plaatselijke Museum voor Schone Kunsten.
De hoogbejaarde Ensor overleed in Oostende op 19 november 1949 aan een ziekte die hem gedurende drie weken aan zijn bed had gekluisterd. Zijn begrafenis groeide uit tot een massaal huldebetoon. Hij werd begraven op het kerkhof van de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Duinenkerk in Mariakerke, één van zijn lievelingsplekjes.
Werken
Bibliografie
- Boeken
- In en om het kerkje van Ensor. Dufait, Freddy (Van De Wiele, Brugge, 1999, 120 pagina's)
- Ensor, de verzameling van het museum voor schone kunsten te Oostende. Hostyn, N. (Die Keure, Brugge, 1999, 203 pagina’s)
- James Ensor, de man achter het masker. Martroye, K. (Roularta Books, Groeninghe, 1999, 140 pagina’s)
- James Ensor: De baden van Oostende. Florizoone, P. (Snoeck-Ducaju & Zoon, Brussel, 1996, 207 pagina’s)
Startpagina - Overzicht van de kunststromingen - Overzicht van de kunstenaars
Comments (0)
You don't have permission to comment on this page.